01. Meervoudige begravingen
Radiokoolstofdateringen tonen aan dat de zes grafkuilen waarschijnlijk aangelegd zijn tijdens twee afzonderlijke periodes in de 15de eeuw, namelijk in de eerste en de tweede helft van die eeuw. Ze zijn dus niet het resultaat van één enkele crisis, maar wijzen eerder op herhaalde momenten van een noodsituatie. De personen in deze graven waren hoofdzakelijk jongvolwassenen en volwassenen uit de lokale gemeenschap. Er werden geen aanwijzingen gevonden voor familiale verwantschap tussen de overledenen, en ook hun voedingspatroon kwam overeen met dat van andere personen op het parochiekerkhof.
De wijze van begraven duidt op uitzonderlijke omstandigheden. Hoewel de christelijke tradities nog in beperkte mate werden gerespecteerd, primeerde een efficiënt gebruik van de beschikbare ruimte duidelijk boven een individuele behandeling van de dode. Zo vertoonden sommige overledenen oriëntaties die afweken van de christelijke norm en kwamen ook bijzettingen op de buik in plaats van op de rug voor. Bijzettingen op de buik werden als anoniem en onrespectvol beschouwd. Dit suggereert dat de bijzettingen functionele noodoplossingen waren.
Het onderzoek kon geen definitief uitsluitsel geven over de doodsoorzaak. Er werden geen duidelijke sporen van een epidemie aangetroffen. Bij enkele individuen werden wel zwakke aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van de pest, maar de signaalsterkte was onvoldoende om een bevestiging te bekomen. De aanwezigheid van pest kan daardoor niet bevestigd, maar ook niet volledig uitgesloten worden. Daarom werden ook alternatieve hypotheses onderzocht. Zo is het mogelijk dat de gemeenschappelijke grafkuilen niet het gevolg waren van verhoogde sterfte, maar verband hielden met plaatsgebrek op het kerkhof, bijvoorbeeld als gevolg van de uitbreiding van het gotische koor in deze periode.
02. Baby’s en jonge kinderen
Wat de concentraties jonge kinderen aan noordzijde van het koor betreft, tonen de radiokoolstofdateringen aan dat de meeste kinderen hier waarschijnlijk tussen 1434 en 1454 begraven zijn. Na een lokale herinrichting van het kerkhof ontstond op deze plek een ‘kinderhoek’, zoals die ook op sommige, moderne begraafplaatsen voorkomen Het lijkt erop dat in deze ‘kinderhoek’ kinderen tot ongeveer 7 jaar werden begraven. De leeftijd van 7 jaar werd in de middeleeuwen, en nu nog steeds, door de Kerk als een scharnierleeftijd beschouwd. De eerste communie op 7 jaar is hier nog een voortvloeisel van. Oudere kinderen lijken een plaats te krijgen bij de volwassenen op de rest van het parochiekerkhof. De sterftepatronen binnen deze ‘kinderhoek’ passen bij wat verwacht kan worden in een laatmiddeleeuwse stad, waarbij infectieziekten vaak de doodsoorzaak van kinderen waren.
In Gebouw II kwamen bij de opbraak van de vloer verschillende foetussen en iets oudere baby’s aan het licht, die in de tweede helft van de 15de eeuw te dateren zijn. Meerdere kinderen kunnen biologisch gezien niet levend ter wereld gekomen zijn. Deze kinderen konden bijgevolg niet gedoopt worden en op gewijde grond bijgezet worden. Ook doodgeboren kinderen mochten volgens de kerkelijke leer niet op het parochiekerkhof bijgezet worden. Mogelijk was de ruimte waarin deze kinderen aangetroffen werden, een religieuze ‘oplossing’ voor dit probleem. Mogelijk functioneerde dit gebouw als een spirituele overgangsruimte tussen de gewijde grond van het kerkhof en de profane buitenwereld.
Aan oostzijde van het koor werden verschillende kinderen waarschijnlijk rond het midden van de 17de eeuw in gemeenschappelijke kuilen bijgezet. Deze begravingswijze verschilt fundamenteel van de individuele graven aan de noordzijde en wijst op een minder geïndividualiseerde omgang met kindersterfte. Zelfs een kind dat overleed na 24 weken zwangerschap werd op gewijde grond bijgezet. Dit kan erop wijzen dat men de regels rond bijzettingen op gewijde grond geleidelijk anders ging interpreteren. Uiteraard kunnen ook andere verklaringen voor deze keuzes niet volledig uitgesloten worden.
03. Uitzonderlijk bewaarde graven in de crypte
Uit het onderzoek van de graven van de crypte bleek dat meerdere personen besmet waren met darmparasieten, zoals de zweepworm. Deze gegevens wijzen op leefomstandigheden,
waarin hygiëne eerder beperkt was. Daarnaast werden in de darminhoud van
sommige overledenen sporen van hun laatste maaltijd teruggevonden. Zo werden
aanwijzingen gevonden voor de consumptie van honing, wijn, boekweit en mogelijk
ook kruiden en specerijen zoals anijs en kruidnagel, die mogelijk ook een
medicinaal doel hadden. Deze resultaten bieden een zeldzaam en gedetailleerd
inzicht in wat mensen vlak vóór hun overlijden aten en gebruikten. Het
onderzoek gaf ook meer informatie over het grafritueel. De hoge concentraties
van stuifmeel van graan en wilde grassen in stalen die genomen zijn bij het
hoofd van de overledenen wijst op de aanwezigheid van rouwkussens van stro,
hooi of veenmos.
De graven op het reguliere kerkhof bevatten nauwelijks parasieten en slechts lage concentraties stuifmeel, dat waarschijnlijk via de bodem in de graven terechtkwam.
04. Diachrone vergelijking
Het vierde onderzoeksluik richtte zich op veranderingen in gezondheid en levensverwachting doorheen de tijd. Een laatmiddeleeuwse en vroegmoderne populatie werden met elkaar vergeleken op vlak van sterfteleeftijden, verdeling man/vrouw/kind, lichaamslengte en ziektebeelden. Uit dit onderzoek blijkt dat de laatmiddeleeuwse groep vooral bestond uit volwassenen tussen 25 en 50 jaar. Opvallend is dat mannen gemiddeld ouder werden dan vrouwen, wat onder andere verklaard kan worden door de sterfte van vrouwen in het kraambed. Vanaf de 16de eeuw nam de gemiddelde levensverwachting iets toe, wat zou kunnen wijzen op verbeterde omstandigheden. Tegelijkertijd echter viel de gemiddelde lichaamslengte bij zowel mannen als vrouwen iets terug, wat dan weer op mindere leefomstandigheden wijst. Parochieregisters uit de 18de eeuw suggereren bovendien dat armoede in deze periode een grote rol speelde in de Sint-Baafsparochie.
Het onderzoek van de ziekteverschijnselen toont dat kinderen in beide perioden relatief weinig tekenen van stress vertoonden, wat duidt op relatief goede omstandigheden tijdens hun jeugd. Als volwassene kregen mensen vaker te maken met lichamelijke slijtage, infecties en trauma. Wellicht is dit in verband te brengen met zware arbeidsomstandigheden. Dit laat zien dat een hogere levensverwachting niet automatisch betekende dat volwassenen ook gezonder waren.